aan: College van de gemeente Opmeer
Postbus 199
1715 ZK Spanbroek
kopie: gemeente@opmeer.nl
cc: Interbestuurlijk Toezicht (IBT) Noord-Holland
servicepunt@noord-holland.nl
ibt@noord-holland.nl
betreft: AANVULLING handhavingsverzoek teelten Opmeer
datum: 18 sept 2026
uw kenkerk 10300 uw zaaknummer 04325860
ons kenmerk: m22268
namens: Stichting KvK-nummer
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., 10145049
Stichting Mobilisation for the Environment, 90298233
Stichting Natuurbeschermingswacht, 41019696
door: gemachtigde & correspondentieadres
De Groene Arabesk
ing. Jantine Leeflang, KvK nummer 63118394
jantineleeflang@gmail.com
en door: ing. G. Starre
namens Stichting Natuurbeschermingswacht
info@boom7.nl
0522-260791
Geachte college,
Uit een artikel in de media bleek dat er tijd geboden wordt voor initiatiefnemers om de projecten via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) te legaliseren.
"
Hierdoor ontstaat er, zo vertelde Hagens, tijd voor de ondernemers om een zogenaamde BOPA (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) aan te vragen."
"
Als de beslissing wordt genomen om een last onder dwangsom op te leggen, is het college voornemens om de begunstigingstermijn waar dat mogelijk is te verlengen"
Bron:
https://www.noordhollandsdagblad.nl/regio/west-friesland/grootste-zorgen-weggenomen-voor-pioentelers-in-opmeer.-tijdelijke-omgevingsvergunning-moet-uitkomst-bieden/161624463.html
Begunstigingstermijn
De begunstigingstermijn is in de vooraanschrijvingen gesteld op 26 weken. 26 weken is een redelijke termijn om een einde te maken aan de overtredingen. De telers hebben voldoende de tijd om de pioenrozen te verwijderen. De beste tijd om pioenrozen te verplanten is in de herfst.
De wet bepaalt dat het college als bevoegd gezag bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding een termijn moet stellen waarbinnen de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd (art. 5:32a, tweede lid, van de Awb). Volgens vaste rechtspraak geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De omstandigheid dat een overtreding al een lange tijd voortduurt, rechtvaardigt volgens de jurisprudentie van de Raad van State in principe geen langere begunstigingstermijn.
De begunstigingstermijn mag niet gekoppeld aan het moment dat legaliserende omgevingsvergunning wordt verleend. De tijd die het vergt voor het college om een beslissing op de aanvraag te nemen zou dan bepalend zijn voor de lengte van de begunstigingstermijn en dat is niet juist, omdat daarmee de lengte van de begunstigingstermijn niet voldoende concreet en niet op voorhand vast staat (ABRvS van 23 oktober 2019,
ECLI:NL:RVS:2019:3590).
Concreet zicht op legalisatie
Belangrijk is dat bovenstaande legalistie niet mogelijk is. De reden waarom dat niet mogelijk is wordt hieronder toegelicht. Met een BOPA wordt toestemming gegeven om af te wijken van een omgevingsplan. Dit kan alleen indien er sprake is van een evenwichtige toebedeling van functies aan locaties.
Passende beoordeling
De toestemming voor die afwijking moet echter passend beoordeeld worden. Een passende beoordeling is een begrip uit de Habitatrichtlijn.
Habitatrichtlijn artikel 6 lid 3: "
Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden."
Bron:
https://eur-lex.europa.eu/eli/dir/1992/43/oj
De bepaling van dat artikel geldt ook voor toestemmingen om af te wijken, omdat anders de afwijking (in onderhavig geval de legalisatie van het telen met bestrijdignsmiddelen) buiten de passende beoordeling zou vallen.
Dat niets buiten een passende beoordeling mag blijven wordt uitgelegd door de Advocaat-Generaal in haar conclusie van 26 maart 2026,
ECLI:EU:C:2026:275.
Aangezien het artikel geld "
Voor elk plan of project", is ook duidelijk dat het artikel ook geld voor gemeenten.
Dus de gemeente moet toestemming voor het afwijking van haar plan passend beoordelen. Indien er meerdere toestemmingen worden gegeven moeten de gevolgen van die toestemmingen "
in combinatie met andere plannen of projecten" passend beoordeeld worden. Dus: indien er voor meerdere afwijking toestemming verleend wordt, moeten die afwijkingen in combinatie met elkaar passend beoordeeld worden.
Het afzonderlijk beoordelen van iedere teler volstaat niet wanneer de activiteiten gezamenlijk gevolgen kunnen hebben voor hetzelfde Natura 2000-gebied. Dat een gezamenlijke beoordeling omvangrijk of praktisch moeilijk uitvoerbaar is, vormt geen grond om deze Unierechtelijk verplichte beoordeling achterwege te laten. De vereiste zekerheid moet vóór de toestemming bestaan. Zij kan niet worden doorgeschoven naar toezicht, handhaving of een later onderzoek.
Het Hof van Justieie van de Europese Unie (hoogste rechter) stelt eiden aan een passende beoordeling, zie C-411/17,
ECLI:EU:C:2019:622, België, "
Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen":
"
120 Voorts brengt een passende beoordeling van de gevolgen van een plan of project voor een beschermd gebied mee dat alle aspecten van dit plan of project die op zichzelf of samen met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied in gevaar kunnen brengen, voordat goedkeuring wordt verleend voor dat plan of project, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake moeten worden bepaald. De bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor een activiteit in het betreffende gebied wanneer zij de zekerheid hebben verkregen dat deze activiteit geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van dat gebied. Dat is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel meer over bestaat dat dergelijke gevolgen uitblijven (arrest van 7 november 2018, Holohan e.a., C-461/17, EU:C:2018:883, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
De passende beoordeling moet zien op "
alle aspecten", zoals uitstoot van stikstofverbindingen en het toepassen van bestrijdingsmiddelen.
De gemeente moet dus voor het geven van toestemmingen in combinatie voor het afwijken van haar plan: met wetenschappelijke zekerheid uitsluiten dat er sprake kan zijn significante effecten. De bewijslast ligt bij het bevoegde gezag: de gemeente.
Dat de gemeente moet toetsen (en niet kan verwijzen naar de provincie) blijkt uit
ECLI:NL:RVS:2022:1991, punt 6.2:
"
[..] Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dan dient een passende beoordeling te worden gemaakt."
Voor bestrijdingsmiddelen is het niet mogelijk om een voortoets te maken of een passende beoordeling te doorlopen, zie onderstaande.
Bespreking rapport 'Verkenning Voortoets Gewasbeschermingsmiddelen' van Schuttelaar & Partners
De provincie Drenthe heeft het advies gevraagd aan Schuttelaar & Partners. Hun rapport is recent openbaar gemaakt door verzending naar Provinciale Staten van Drenthe.
Het doel van het rapport (p. 5): "
Verkennen of het mogelijk is om een juridisch houdbare voortoets op te stellen die aansluit bij de eisen die volgen uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.".
Opmerking: het betreft
ECLI:NL:RVS:2025:1428.
De conclusie van het rapport is :
p. 31: "
Een voortoets gewasbeschermingsmiddelen achten wij op dit moment niet zonder meer haalbaar en juridisch houdbaar. Het advies is dus een ‘no go’."
In de bijlage 'Bespreking 'Verkenning Voortoets Gewasbeschermingsmiddelen' van Schuttelaar & Partners' worden citaten besproken (bijlage in zelfde pdf als zienswijze).
Bespreking rapport 'Pesticiden in terrestrische Natura 2000-gebieden'
In de bijlage 'Bespreking 'Pesticiden in terrestrische Natura 2000-gebieden' wordt geciteerd met toelichting. Daar ook de volledige citeertitel en vindplaats.
Hieronder de belangrijkste punten
De conclusie van dit rapport is gebaseerd op de huidige zeer beperkte kennis:
p.4: "
In plantenmonsters zijn voor negen stoffen wel overschrijdingen vastgesteld, wat betekent dat negatieve effecten op gevoelige soorten in deze gevallen niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Wanneer rekening wordt gehouden met mengsels van meerdere pesticiden, blijkt dat in circa 22% van de plantenmonsters de gecombineerde belasting mogelijk boven een voorlopige risicodrempel ligt."
Een voorlopige risicodrempel komt geen betekenis toe in een passende beoordeling. Idem voor een bevinding die 'mogelijk' is.
p. 16: "
Over grotere afstanden dan een gebruikelijke bufferzone dient er rekening gehouden te worden met het volgende. Gezien de gemiddelde windsnelheid van 8-20 km/uur in Nederland, verloopt verwaaiing van drift gedurende een half uur na bespuiting, vervluchtigde pesticiden en opwaaiend stof in dagen na de bespuiting, en daarna pas potentiële depositie, makkelijk over een afstand van meer dan 10 km. In dit opzicht zijn afstanden van natuurgebieden in Nederland tot intensieve landbouwpercelen moeilijk beheersbaar om aanzienlijke reducties te waarborgen, en depositie in natuurgebieden volledig uit te sluiten
p. 65: "6 Conclusies
Een landelijke (of zelfs internationale) reductie in het gebruik van pesticiden is de enige maatregel die gegarandeerd tot een verminderde depositie in natuurgebieden zal leiden."
"
Cumulatieve effecten worden in de huidige risicobeoordelingskaders voor de toelating niet meegenomen."
Daarbij moet nog worden aangemerkt dat het de pesticiden gebruikt bij de teelt van pioenrozen via het aangrenzende oppervlaktewater zullen afstromen naar aquatische Natura 2000 gebieden zoals het IJsselmeer en de Waddenzee.
Concreet zicht op legalisatie
De mededeling in de media dat ondernemers tijd krijgen om een BOPA aan te vragen, betekent nog niet dat
concreet zicht op legalisatie bestaat. De enkele bereidheid van de gemeente om aan legalisatie mee te werken is daarvoor onvoldoende. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak moet ten minste een begin zijn gemaakt met de vereiste vergunningprocedure. Bovendien moet aannemelijk zijn dat de benodigde vergunning daadwerkelijk rechtmatig kan worden verleend.
Voor concreet zicht op legalisatie is in dit geval daarom ten minste vereist dat:
- een voldoende concrete en volledige vergunningaanvraag is ingediend;
- alle activiteiten en milieugevolgen duidelijk zijn omschreven;
- de mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn onderzocht;
- zo nodig een passende beoordeling is opgesteld;
- de cumulatieve gevolgen van de verschillende teelten en andere relevante plannen en projecten zijn onderzocht; en
- op grond van de beste wetenschappelijke kennis redelijkerwijs geen twijfel meer bestaat dat aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden uitblijft.
Uit het mediabericht blijkt niet dat aan deze voorwaarden is voldaan. Er wordt slechts gesproken over het bieden van tijd om BOPA’s aan te vragen. Niet blijkt van ingediende volledige aanvragen, een passende beoordeling, onderzoek naar bestrijdingsmiddelen of een gezamenlijke beoordeling van de gevolgen van de verschillende teeltactiviteiten.
Daarom kan niet worden aangenomen dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Integendeel: zolang de vereiste wetenschappelijke beoordeling ontbreekt, staat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn eraan in de weg dat de BOPA’s als volledige legalisatie van de teeltactiviteiten worden beschouwd.
De aangekondigde BOPA-procedure vormt dan ook geen grond om handhavend optreden uit te stellen. 'Tijd bieden' aan ondernemers is een bestuurlijke keuze, maar kan de rechtstreeks uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor toestemming niet vervangen of opschorten.
Conclusie
Nu een toestemming in welke vorm niet mogelijk is, is er geen sprake van concreet zicht op legalisatie. Dan blijft over de beginselplicht tot handhaving.
Hoogachtend,
ing. Jantine Leeflang, ing. G. Starre
Bijlage bronvermelding
Rapport 'Verkenning Voortoets Gewasbeschermingsmiddelen' van Schuttelaar & Partners
In opdracht van het college van Drenthe inzake Natura 2000 is dit rapport opgesteld. Voor onderhavige procedure is het rapport van nut om de volgende constatering:
"
Hoewel berekeningen aangeven dat drift vanuit een verwaaiing van spuitvloeistof op grote afstand nauwelijks een rol speelt, worden stoffen toch kilometers verderop aangetroffen. Dit wijst erop dat andere routes als verdamping, atmosferische depositie en transport via stof waarschijnlijk belangrijke routes zijn."
Vindplaats rapport:
In het zaaksysteem van het
Drents Parlement (PS):
https://www.drentsparlement.nl/Vergaderingen/Statencommissie/2026/4-maart/09:30/BELEIDSONDERWERPEN-GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN-STATENSTUK-2026-8
Directe link naar pdf:
https://www.drentsparlement.nl/Vergaderingen/Statencommissie/2026/04-maart/09:30/BELEIDSONDERWERPEN-GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN-STATENSTUK-2026-8/PS010426-Cie040326-2026-8-Bijlage-4-Rapport-verkenning-voortoets-gewasbeschermingsmiddelen-van-Schuttelaars-en-Partners.pdf
Rapport Pesticiden in terrestrische Natura 2000-gebieden
Het betreft het rapport van Wageningen Environmental Research, februari 2026, Rapport 3504 met citeertitel/vindplaats:
Van den Berg, S., Droge, S., Holterman, H.-J., & Buddendorf, B. (2026).
Pesticiden in terrestrische Natura 2000-gebieden: Verkennende beoordeling op aanwezigheid, blootstellingsroutes en potentiële ecologische risico’s voor bodemorganismen en niet-doelwit geleedpotigen. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3504).
https://doi.org/10.18174/708361
Toegezonden naar de Tweede kamer op 23 febr 2026:
https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026Z03268&did=2026D07252